Stadsvogels in hun domein Inloggen

Meer info

Hieronder vind je meer informatie over de verschillende vogelgildes en wijktypes

Uitgebreide toelichting op de verschillende vogelgildes


Huizenbroeders

Huizenbroeders zijn van oorsprong vogels die in een rots- en bergachtige omgeving leven. Voor deze vogels oogt de stedelijke omgeving als hun oorspronkelijke biotoop. Zij nestelen dan ook voornamelijk in of op gebouwen. Oude bebouwing is vaak grillig en kent nisjes, hoekjes en gaten. Voor huizenbroeders is dat aantrekkelijker dan strakke, moderne nieuwbouw. Daarnaast biedt verval, bijvoorbeeld kieren tussen dakpannen, de vogels kansen. In gesloten wijken zijn de aantallen huizenbroeders iets hoger dan in open wijken. Vooral gierzwaluw, kauw en stadsduif maken dat verschil. Vogelsoorten die op daken broeden, zoals scholekster en enkele soorten meeuwen, maken weliswaar gebruik van huizen als nestplaats maar zijn in een ander gilde ingedeeld, dat van de pioniers.

 

Beschermingsmaatregelen huizenbroeders:

  • Nestplaatsen integreren in gebouwen, bijvoorbeeld neststenen, dakpannen, Vogelvide. De Vogelvide is een prefabnestkast voor onder de dakpannen als vervanger van het standaard toegepaste vogelschroot.
  • Voor met name huismus, huiszwaluw en zwarte roodstaart geldt dat nestgelegenheid alleen effectief is in combinatie met geschikt voedselgebied.
  • Bij nieuwbouw en renovatie standaard toepassen van nestplaatsen voor vogels.

naar boven


Holenbroeders

Holenbroeders nestelen in natuurlijke holten van bomen en maken ook gebruik van nestkasten. Ze broeden minder frequent in huizen dan de huizenbroeders. Sommige soorten, zoals spreeuw, pimpelmees en koolmees, maken echter ook wel vindingrijk gebruik van openingen in bijvoorbeeld spouwmuren. Het gilde van de holenbroeders is redelijk gelijkmatig verdeeld over de verschillende wijktypen. Wel is er een – logische – oververtegenwoordiging in parken, waar bomen en nestkasten veel nestgelegenheid bieden. In nieuwbouwwijken en bedrijventerreinen daarentegen zijn holenbroeders weer schaarser door de afwezigheid of slechts beperkte aanwezigheid van volgroeide bomen.

 

Beschermingsmaatregel holenbroeders:

  • Nestkasten in combinatie met volgroeide bomen.
  • Bomen, al dan niet dood, met holtes laten staan.

 

naar boven


Struikvogels

Vogels als winterkoning en heggenmus zoeken hun nestplaats overwegend in struiken. In parken en tuincomplexen zijn die doorgaans ruimschoots aanwezig. Maar ook individuele struikbeplanting in de openbare ruimte kan dergelijke soorten herbergen. Struikvogels komen in lage dichtheden in alle wijktypen voor, met een lichte voorkeur voor open wijken. In Hoog Nederland zijn de aantallen iets hoger dan in Laag Nederland.

 

Beschermingsmaatregelen struikvogels:

  • Wijk af van het standaardbeheer van openbare ruimten door struiken en ondergroei op meer plaatsen toe te laten. Het vergt relatief weinig ruimte om dit groen tot volle wasdom te laten komen.
  • Kies voor streekeigen, inheemse planten en geef spontane opslag van struikgewas de kans om te volgroeien.
  • Bewoners kunnen hun schutting laten begroeien met klimplanten als klimop of bruidssluier. Een haag is een vogelvriendelijker afscheiding dan een schutting.

naar boven


Boomvogels

Boomvogels nestelen overwegend of uitsluitend in bomen. Veel van deze soorten zijn van oorsprong bosvogels of soorten van het open veld met verspreid liggende boomgroepen. Het gilde omvat maar liefst 14 soorten die we in de stedelijke omgeving aantreffen. Daartoe behoren ook blauwe reiger en aalscholver, die vanwege hun nestvoorkeur in dit gilde zijn geplaatst en niet in het gilde van de water- & moerasvogels. Boomvogels komen meer voor in open dan in gesloten wijken. De hoogste aantallen vinden we in stadsparken.

 

Beschermingsmaatregelen boomvogels:

  • Hoe ouder de boom, hoe hoger de ecologische waarde. Geef bomen, waar dat kan, de tijd van leven. Stadsbomen in Nederland worden zelden ouder dan 50 jaar.
  • Reserveer bij stadsplanning, herinrichting en nieuwbouw ruimte om bomen te kunnen laten volgroeien.
  • Bomen, al dan niet dood, met holtes laten staan.
  • Kies voor streekeigen, inheemse bomen.

 

naar boven


Park- en tuinvogels

Soorten als merel en groenling zijn in alle typen stadswijken vertegenwoordigd. Roodborst en zanglijster halen gemiddeld de hoogste aantallen in parken. De soorten zijn vaak afhankelijk van een combinatie van struiken en bomen. De merel bijvoorbeeld nestelt in struiken of gevelbegroeiing, zoekt voedsel op de grond en gebruikt een boom, dakgoot of andere verhoging als zangpost. Al deze elementen zijn in tuinen aanwezig. Open wijken hebben dit stadsvogelgilde iets meer te bieden dan gesloten wijken. Park- & tuinvogels komen in Hoog Nederland in grotere aantallen voor dan in Laag Nederland.

 

Beschermingsmaatregelen park- & tuinvogels:

  • Van alle stadsvogelgildes zijn de park- & tuinvogels het meest geholpen met vogelvriendelijke inrichting van tuinen. Dit staat uitgebreid beschreven in de brochure Vogels dichterbij, deze is gratis te verkrijgen bij het servicecentrum van Vogelbescherming Nederland.
  • Zie ook bij boomvogels en struikvogels.

naar boven


Water en moerasvogels

In het waterrijke Nederland is dit gilde een wezenlijk onderdeel van de stedelijke vogelbevolking, vooral in Laag Nederland. Soorten als wilde eend en meerkoet halen hier beduidend hogere aantallen dan in Hoog Nederland. In Laag Nederland treffen we de meeste soorten uit dit gilde in vrijwel elk type stadswijk aan. In Hoog Nederland daarentegen komen vogels uit dit gilde vooral voor in stadsparken en in waterretentiebekkens bij nieuwbouwwijken.

 

Beschermingsmaatregelen water- & moerasvogels:

  • Voor het succesvol voorkomen van deze vogels is de aanwezigheid van permanent water van enige omvang noodzakelijk.
  • Het beheer en de inrichting van oevers is veelal bepalend voor het voorkomen van deze soorten. Water- & moerasvogels hebben baat bij natuurvriendelijke oevers, nestvlotjes en drijvende tuinen.

naar boven


Pioniers

Pioniers zijn sterk gebonden aan bouw- en bedrijventerreinen, braaklandjes en bijvoorbeeld gronddepots. Sommige soorten uit dit gilde, zoals scholekster en zilvermeeuw, benutten platte daken als nestplaats en vestigen zich soms permanent. Andere soorten, zoals oeverzwaluw en zwarte roodstaart, profiteren vaak van tijdelijk gunstige omstandigheden en verdwijnen weer als zandhopen zijn afgegraven of een gebied is volgebouwd. Pioniers komen in Laag Nederland beduidend meer voor dan in Hoog Nederland.

 

Beschermingsmaatregelen:

  • Maak gebruik van de Regeling tijdelijke natuur. Deze is in het leven geroepen om juist pioniersoorten betere kansen te geven.
  • Specifiek voor oeverzwaluwen: creëer steile wanden in gronddepots om de vogels nestplaats te bieden. Vlak gronddepots vóór het broedseizoen af, wanneer de vestiging van een kolonie daar ongewenst is.

naar boven

 

Uitgebreide toelichting per wijktype


Historische kern

Oude binnensteden en dorpskernen gebouwd vóór 1900

 

De oudste steden in Nederland hebben een geschiedenis die terugvoert tot de Romeinse tijd. Na een periode van verval duurde het tot halverwege de middeleeuwen voordat de steden opkwamen zoals we die vandaag de dag kennen. Rond een historische kern zijn steden in de loop van eeuwen veelal concentrisch gegroeid. Vaak planmatig, zoals zichtbaar in de ringen van Amsterdam. De oude binnenstad kenmerkt zich meestal door een compacte bouw en een variatie aan bouwstijlen, vaak historisch en soms modern waar oorspronkelijke bebouwing is vervangen door nieuwbouw. De gebouwen zijn er doorgaans meerdere verdiepingen hoog. In de openbare ruimte zijn bomen en ander groen relatief schaars, vooral in West-Nederland. Binnentuincomplexen of hofjes kunnen echter weelderige groene oasen vormen. Verder bieden brede wegen of grachten, plantsoenen of parkjes ruimte aan bomen. Voor deze historische kern zijn de gegevens van MUS gebruikt van telpunten in alle wijken van vóór 1900, veelal de oude stadskernen maar ook historische dorpskernen. Historische centra bieden bepaalde vogelsoorten specifieke kansen. De oude bebouwing levert diverse soorten huizenbroeders nestgelegenheid en voor soorten als kauw en spreeuw ligt het voedsel op straat. Oude bomen en binnentuincomplexen zijn van waarde voor zangvogels, zoals merel en koolmees.
 


 

Laag Nederland

De historische kern is het domein van de huizenbroeders. De meest algemene soort die we er aantreffen, is de gierzwaluw – gevolgd door de stadsduif en de kauw. Voor de laatste twee biedt het oude centrum minstens twee voordelen. Er is een overvloed aan voedsel, zowel afval als voer dat de mensen aanbieden. De vogels vinden er nestgelegenheid in nisjes of gaten van gebouwen. Gierzwaluwen profiteren vooral van de ouderdom van gebouwen. Ze broeden onder oude dakpannen, in kiertjes onder daklijsten of andere kleine ruimtes.

In Laag Nederland scoort de stadsduif de hoogste aantallen in dit stadswijktype. De huismus is uit het straatbeeld van de oude kernen zo goed als verdwenen. Lokaal zijn er nog wel kleine kolonies die zich handhaven rond plekken met een constant voedselaanbod en voldoende dekking, zoals terrasjes met groen of stationsgebieden. Maar het lage gemiddelde van slechts één individu per telpunt verraadt dat we in veel oude kernen geen huismussen – een kolonievogel immers – meer aantreffen.

Het voorkomen van meeuwen is typisch voor historische kernen in het westen van het land. In mindere mate komen ook water- & moerasvogels als fuut en knobbelzwaan er voor in stadsgrachten of andere wateren. Algemene holenbroeders als koolmees en pimpelmees en boomvogels als houtduif, zwarte kraai en Turkse tortel maken gebruik van bomen en groen in binnentuinen en in mindere mate ook van bomen en groen in de publieke ruimte. Een goed ingerichte groene ruimte biedt, naast de algemene merel, plaats aan struikvogels als winterkoning en heggenmus. Zelfs tjiftjaf en staartmees zijn te verwachten. Hun aantallen zijn echter bescheiden vergeleken met bijvoorbeeld de jongere woonwijken, waar meer geschikt leefgebied voor de soorten van deze gildes is.

 


 

Hoog Nederland

Het Meetnet Urbane Soorten kent nog relatief weinig telpunten in de historische kernen van Hoog Nederland. De meer algemene bevindingen hier moeten in dat perspectief worden gezien. De meest algemene soort is er de houtduif, gevolgd door de gierzwaluw en de merel. De hoge score van de houtduif past overigens in het beeld van een relatief goede vertegenwoordiging van de boomvogels in de historische kernen van Hoog Nederland. De houtduif komt in Hoog Nederland in álle wijktypen in hogere aantallen voor dan in Laag Nederland. In tegenstelling tot Laag Nederland ontbreekt de stadsduif gedeeltelijk in historische kernen in Hoog Nederland. Mogelijk speelt concurrentie met andere duivensoorten en kraaiachtigen hier een rol.

De historische kernen in Hoog Nederland vertonen een iets soortenrijker pallet dan die van Laag Nederland. Deze vogelrijkdom is onder meer terug te zien in het talrijker voorkomen van park- & tuinvogels als zwartkop, tjiftjaf, vink en zanglijster. Van deze groep zijn alleen merel en zanglijster met gemiddeld meer dan 1 individu vertegenwoordigd. Ook bij de huizenbroeders zijn er nog enkele opmerkelijke verschillen. Huismus en spreeuw zijn beter vertegenwoordigd in Hoog Nederland dan in Laag Nederland. In Hoog Nederland broedt de huiszwaluw lokaal in oude dorskernen, in Laag Nederland is deze soort in dit wijktype nagenoeg afwezig.

 

 

Beschermingskansen

De Romeinen plaatsten duiventillen bij hun nederzettingen en vanaf de late middeleeuwen hingen stedelingen spreeuwenpotten aan de gevel. Deze nestgelegenheid werd vogels niet geboden als bescherming, maar werden geplaatst voor culinaire doeleinden. Nu kijken we met heel andere ogen naar vogels in de stad en werken we aan hun bescherming. De gierzwaluw, een rotsvaste bewoner van dit wijktype, maakt deel uit van een kleine groep vogelsoorten waar vogelbescherming in de historische kern op is gericht. Het behoud van nestplaatsen in gebouwen is zelfs cruciaal voor het voortbestaan van gierzwaluwen in ons land en bovendien een wettelijke verplichting. Reden te meer om naast vervangende nestgelegenheid ook nieuwe nestgelegenheid te creëren. Ook anderszins zijn er volop kansen het leefgebied van vogels in historische kernen te verbeteren. Met streekeigen straatbeplanting bijvoorbeeld en een vogelvriendelijke inrichting van binnentuinen. Daar profiteren met name kleine zangvogels van. Door creatief gebruik van de beperkte ruimte, zoals het maken van geveltuinen, kunnen stadsbewoners de natuurwaarde van hun leefomgeving verhogen.

 

Kenmerkende vogelsoorten

 

Stadsduif

Voor de stadsduif heeft de oude stad een aantal sterke troeven in handen: voedsel, nestgelegenheid én het nagenoeg ontbreken van concurrerende soorten. Voedsel vinden de vogels volop op straat of het wordt ze aangereikt door de mens. Stadsduiven zijn vindingrijk en nestelen in allerlei nisjes, spleten en gaten van gebouwen of bruggen. In die broedplaatskeuzen verraden ze hun afkomst: de rotsduif was hun wilde voorvader. Stadsduivenleven in alle steden. De belangrijkste concentraties treffen we aan in de centra van grote steden zoals Amsterdam, Den Haag, Rotterdam en Utrecht. Verder komen ze voor bij graanoverslagbedrijven en opslag voor veevoer in Hoog Nederland.

 

Meeuwen

Bij geen andere vogelfamilie komt het verschil tussen Hoog en Laag Nederland zo duidelijk naar voren als bij de meeuwen. Zilvermeeuw, kleine mantelmeeuw en stormmeeuw hebben een uitgesproken voorkeur voor Laag Nederland vanwege de binding met zee. Recentelijk zijn meeuwen in Hoog Nederland toegenomen. Er is meer open water dan enkele decennia geleden. De aantallen zijn echter nog altijd laag in vergelijking met het westen.

Meeuwen broeden in kolonies en in het stedelijk gebied nestelen ze veelal op platte daken. De volwassen vogels leven er van allerlei eetbaar afval. Voor een succesvol broedsel echter hebben de jongen vooral vis nodig. Meeuwen zoeken dan ook hun voedsel in de wijde omgeving van de kolonie en verschijnen overal waar water is. Een kanttekening bij het voorkomen van de 3 soorten meeuwen is dat een omvangrijke kolonie op 1 telpunt het gemiddelde flink oprekt.

 

Eenden

In steden leven meer exotische, door mensen ingevoerde diersoorten dan in andere biotopen. Het voorkomen van soepeend, soepgans en grote Canadese gans is een typisch stedelijk fenomeen. Het zijn in vrijheid levende nazaten van ooit gedomesticeerde wilde eenden en ganzen. Binnen de natuurbescherming zijn exoten uit de flora en fauna discutabel. Er kan een sterk verstorend effect van uitgaan op inheemse soorten en ecosystemen. Voor zover bekend vormen de min of meer gedomesticeerde eendachtigen in het stedelijk gebied hiervoor geen risico.

naar boven


Arbeiderswijk

Vooroorlogse woonwijken met gesloten huizenblokken

 

Ernstige sociale problemen door industrialisatie en bevolkingsgroei teisterden de grote steden in de tweede helft van de negentiende eeuw. Diverse wetten moesten aan die misstanden een einde maken. Na de Arbeidswet in 1889 en de invoering van de leerplicht in 1901 werd de Woningwet in 1901 ingevoerd. Deze wet beoogde de bouw van kwalitatief goede woningen voor stedelingen te bevorderen. De volgens de Woningwet gebouwde vooroorlogse woonwijken met gesloten huizenblokken staan bekend als arbeiderswijken of verdichte wijken. Kenmerkend zijn de rationele stratenpatronen met weinig ruimte voor groen: geen voortuinen en bomen hooguit aan één straatzijde. De uit baksteen opgetrokken woonblokken zijn meestal twee of drie verdiepingen hoog en hebben een pannendak. Binnen deze gesloten huizenblokken liggen veelal kleine tuinen of gemeenschappelijke binnenruimten. Ze vormen een relatief vogelarm biotoop, met een samenstelling van soorten die grofweg overeenkomt met die van de historische kern. In de grote steden zijn in die tijd ook gesloten woonblokken gebouwd in een meer monumentale stijl, zoals in delen van Amsterdam-Zuid. Ook deze vallen onder de noemer vooroorlogse gesloten bouw, maar zijn niet te typeren als arbeiderswijk.
 


 

Laag Nederland

Net als in de historische kern leven in arbeiderswijken in Laag Nederland veel huizenbroeders en enkele algemene soorten van stedelijk groen. Beide wijktypen tonen overeenkomsten in een beperkte ruimte voor groen en in gebruikte bouwmaterialen, met name baksteen en pannendaken. Behalve de merel komen park- & tuinvogels er in zeer lage aantallen voor. De meest algemene soort in dit wijktype is de gierzwaluw. In Laag Nederland is deze soort zelfs nergens algemener dan in arbeiderswijken. Op de tweede plaats komt de kauw, die in arbeiderswijken nog iets algemener is dan in de oude stad. Turkse tortel, gierzwaluw en kauw zijn in het hele land de uitgesproken stadsvogels. Veruit het grootste deel van de populatie van deze soorten broedt binnen de grenzen van de bebouwde kom. Opvallend is het aantal van de halsbandparkiet, die in dit wijktype net zulke hoge aantallen haalt als in het stadspark. De aantrekkelijkheid voor deze soort zal hier vooral liggen in het voedselaanbod, het bijvoeren door mensen. Het voorkomen van deze soort in Nederland is vooralsnog een typisch fenomeen voor de Randstad. De halsbandparkiet ontbreekt nagenoeg in Hoog Nederland en in het noorden van het land.

 


 

Hoog Nederland

De arbeiderswijk in Hoog Nederland is naar variatie aan soorten bezien het meest vogelarme wijktype van ons land. Meer dan in Laag Nederland is het contrast met de historische kern hier dan ook groot. De weinige soorten die er zijn, komen echter wel in hoge aantallen voor. Turkse tortel, kauw en gierzwaluw halen hier hun hoogste aantallen. Opmerkelijk is de positie van de gierzwaluw met een gemiddelde van 6,5 per telpunt. Het is hier de meest voorkomende soort en in geen enkele ander wijktype haalt een soort dit aantal. Kennelijk zijn de omstandigheden, nestplaatsen in oude gebouwen en onder dakpannen, hier relatief gezien het meest gunstig. Huizenbroeders zijn het best vertegenwoordigd in deze vogelgemeenschap. Evenals de gierzwaluw profiteren de kauw en de stadsduif van de nestelmogelijkheden in de oude gebouwen. De stadsduif is in de arbeiderswijken van Hoog Nederland algemener dan in de andere delen van de stad. Ook de Turkse tortel haalt in de arbeiderswijken van Hoog Nederland de hoogste aantallen van alle wijktypen. De marginaal voorkomende straatbomen en kleine tuinen vormen de ideale broedbiotoop voor deze soort. Een opvallend verschil met arbeiderswijken in Laag Nederland is dat hier vink, groenling en heggenmus voorkomen. De kleine binnentuinen en plantsoentjes bieden blijkbaar voldoende leefgebied voor boomvogels en struikvogels, evenals voor lage aantallen van boomklever, boomkruiper, roodborst en holenduif.
 

Beschermingskansen

Arbeiderswijken in zowel Hoog als Laag Nederland zijn in vergelijkbare mate vogelarm. Arbeiderswijken grenzen aan de historische kern en zijn doorgaans volledig omringd door nieuwere wijken. De invloed van de natuurlijke omgeving op de lokale avifauna is hier veel geringer dan in wijken die dichter bij het buitengebied liggen of eraan grenzen. Hoe vogelarm ook in variatie aan soorten, dit wijktype is wél belangrijk voor huizenbroeders. Kenmerkend is het veelvuldig voorkomen van kolonievogels als kauw, gierzwaluw en huismus. Deze soorten broeden in alle stadsbiotopen maar zijn in dit wijktype opvallend talrijk. Het behoud of herstel van nestplaatsen in gebouwen voor met name huismus en gierzwaluw verdient in het algemeen, maar in arbeiderswijken in het bijzonder, speciale aandacht. Dat is van groot belang voor het voortbestaan van deze soorten. Bij renovatie verplicht, bij stadsvernieuwing noodzakelijk. Voor de park- & tuinvogels liggen beschermingskansen in de particuliere binnentuinen, hoe bescheiden van oppervlakte deze ook veelal zijn. Een vogelvriendelijke inrichting van – liefst – meerdere aaneengesloten tuinen verhoogt de natuurwaarde. De huismus en een meer gevarieerde groep van algemene tuinvogels als winterkoning, roodborst en tjiftjaf kunnen daarmee ook in dit wijktype leven
 

Kenmerkende vogelsoorten
 

Gierzwaluw

Van alle vogelsoorten is de gierzwaluw voor het broeden het meest afhankelijk van de stad. Broedplaatsen zijn allerlei spleten en gaten in gebouwen, vooral onder daken. In toenemende mate broedt de gierzwaluw in nestkasten, neststenen en onder nestpannen, al leidt het plaatsen van dit soort kunstmatige nestgelegenheid niet altijd direct tot vestiging. Het duurt soms jaren totdat gierzwaluwen de nieuwe nestplaatsen ontdekken. Het voedsel bestaat uit vliegende insecten, die ze tot in een wijde omgeving van de nestplaats vangen. Gierzwaluwen vliegen daarvoor met gemak tot ver buiten de bebouwde kom. Hierdoor zien we de gierzwaluw in alle wijktypen. Een afname van deze vogels manifesteert zich vooral in de oude vooroorlogse wijken, juist waar de aantallen het hoogst zijn. De aanwezigheid in nieuwbouwwijken laat zien dat de gierzwaluw in staat is nieuwe stadsbiotopen te koloniseren. De mate van kolonisatie weegt echter niet op tegen de snelheid waarmee nestgelegenheid in sommige oude wijken verdwijnt, door renovatie en stedelijke vernieuwing.

Van de stadsvogels is deze soort het meest lastig te inventariseren. Het is dan ook lang niet altijd makkelijk een goed beeld te krijgen van lokale aantallen. MUS is vooral bedoeld om de trend van deze soort vast te stellen. In goed onderzochte gebieden, bijvoorbeeld Noordwijk-binnen, blijkt dat de dichtheid van enkele grote kolonies in oude gebouwen afneemt, terwijl tegelijkertijd het aantal losse broedparen verspreid over een groter stadsgebied toeneemt.

 

Huismus en kauw

De bekendste stadsvogel is ongetwijfeld de huismus. De meest getelde soort is daarentegen de kauw. Beide soorten komen lokaal voor in alle stadsbiotopen. De kauw is over bijna de gehele bebouwde kom algemener dan de huismus. In het goed onderzochte en geanalyseerde Winterswijk komen de onderzoekers tot de conclusie dat huismus en kauw de ultieme stadsvogels zijn: beide soorten zijn standvogel, omnivoor in het broedseizoen, nestelen in holten in gebouwen en leven ’s winters vooral van zaden.

De huismus is in Hoog Nederland veel algemener dan in Laag Nederland. In de tweede helft van de twintigste eeuw vond een achteruitgang plaats in het stedelijk gebied. Tegenwoordig vinden we de hoogste aantallen in open nieuwbouw in Hoog Nederland. De huismus is hier zelfs de meest algemene soort. Blijkbaar vindt de huismus hier alles wat hij nodig heeft: insecten als rupsen en bladluizen om de jongen te voeren, zaden, dekking zoals struiken, stukjes kale grond voor zandbaden en nestgelegenheid in gebouwen. In Almere nestelen huismussen in dergelijke wijken vooral in spouwmuren en veel minder onder dakpannen.

 

Turkse tortel

Landelijk gezien leeft het grootste deel van de populatie Turkse tortels binnen de bebouwde kom. In 16 van de 18 wijktypen haalt de soort een aantal van gemiddeld 1 of meer individuen per telpunt. De Turkse tortel heeft een voorkeur voor naoorlogse wijken. In de oude stad, in parken en in nieuwbouwwijken zijn de aantallen lager. Volgroeide oude bomen zijn voor deze soort minder aantrekkelijk dan het jongere straatgroen in de nieuwere wijktypen. Toch is hij in Hoog Nederland algemener dan in Laag Nederland.

 

Halsbandparkiet

halsbandparkiet is een even kleurrijke als luidruchtige verschijning. Gemiddeld komt deze soort in lage aantallen voor in alle stadsbiotopen in Laag Nederland. Hij komt vooralsnog amper voor in Hoog Nederland. De halsbandparkiet is een soort van tropisch Afrika en Zuid-Azië en is in ons land bekend als kooi- en volièrevogel. Ontsnapte en vrijgelaten exemplaren stonden aan de basis van een nu uitdijende populatie in het wild, zoals in veel steden in de wereld. De halsbandparkiet heeft zich vanuit het Haagse Ockenburg en het Amsterdamse Vondelpark over de Randstad verspreid. Hun leefgebied is nu nog beperkt tot de provincies Noord-Holland, Zuid-Holland en Utrecht, maar breidt zich nog steeds verder uit over de rest van het stedelijk gebied in ons land.

naar boven


Tuinwijk

Vooroorlogse woonwijken met open huizenblokken

 

Eind negentiende eeuw ontstond in Engeland het model van de tuinstad als oplossing voor de misère van de stedelijke arbeiders. Deze ideeën kregen in de eerste helft van de twintigste eeuw in Nederland op kleinere schaal navolging, in de vorm van tuindorpen of tuinwijken aan de toenmalige stadsgrens. Ook sommige dorpen werden met een tuinwijk uitgebreid, vaak om arbeiders uit nabijgelegen fabrieken te huisvesten. Tuinwijken werden gebouwd als min of meer zelfstandige kernen, waar de bewoners – traditionele gezinnen met een werkende vader – een samenleving op lokaal niveau zouden vormen. Kenmerkend zijn de lage eengezinswoningen en de groene aanblik. De huizen hebben veelal een voor- en achtertuin en de straten zijn gesierd met inmiddels volgroeide bomen. Daarnaast zijn er vaak kleine plantsoenen en is de wijk omringd door een groenstrook. De tuinwijk is een van de meest vogelrijke biotopen van ons land.
 


 

Laag Nederland

De twee vooroorlogse wijktypen – arbeiderswijk en tuinwijk – verschillen onderling sterk in de samenstelling van de vogelgemeenschap. Struikvogels, boomvogels en park- & tuinvogels floreren in de tuinwijk. Huizenbroeders zijn wel aanwezig, maar met uitzondering van de kauw, in beduidend lagere aantallen dan in arbeiderswijken. Merel en houtduif zijn algemeen. Ook komen winterkoning, tjiftjaf, vink en groenling hier voor, soorten die nagenoeg ontbreken in wijken met gesloten bouw. Veel soorten boomvogels, waaronder gaai, boomkruiper, grote bonte specht en staartmees, komen in de tuinwijk in lage aantallen voor. Het zijn soorten die, met uitzondering van stadsparken, vrijwel geheel ontbreken in alle gesloten wijktypen in Laag Nederland.

In sommige kleinere plaatsen liggen tuinwijken nog steeds aan de rand van de bebouwde kom. Huiszwaluw en in mindere mate boerenzwaluw vinden hier geschikt leefgebied. Zij bouwen hun nesten aan gebouwen of onder bruggen en zoeken voedsel in het landelijk gebied. Hoewel de twee soorten vaak samen voorkomen is er geen directe concurrentie. Ze benutten andere nestplaatsen en hebben een verschillende voedselkeuze. Zelfs de fazant komt lokaal in kleine aantallen voor. Hij vindt er de gewenste afwisseling van dekking en open gebied. Vergelijkbare omstandigheden vindt de fazant bijvoorbeeld ook in villawijken langs de binnenduinrand.
 

Hoog Nederland

De tuinwijken in Hoog en Laag Nederland zijn beide soortenrijk, maar de accenten per gilde verschillen. Nog meer dan in Laag Nederland domineren park- & tuinvogels, boomvogels en struikvogels de vogelgemeenschap van de tuinwijken in Hoog Nederland. De meest algemene soorten zijn houtduif en merel, gevolgd door kauw. De tuinwijken in Hoog Nederland zijn relatief rijk aan oude bomen. Dat verklaart het voorkomen van boomvogels als tjiftjaf en zwartkop, terwijl struikvogels als winterkoning, roodborst en heggenmus hier van de rijke ondergroei profiteren. Deze vijf soorten zijn kenmerkend voor open wijken en komen in gesloten wijken minder voor. Opvallend is ook dat heggenmus, roodborst, zanglijster en zwartkop in de tuinwijken in Laag Nederland veel minder talrijk voorkomen.

In de tuinwijk in Hoog Nederland zijn huizenbroeders minder prominent aanwezig dan in andere wijktypen. De spreeuw is een positieve uitzondering. De soort vindt hier geschikt voedselgebied op gazons in tuinen in de directe omgeving van zijn nestplaats. Hier en daar komen wilde eend en andere water- & moerasvogels voor in siervijvers of ander open water. De wilde eend stelt weinig eisen aan de broedbiotoop. Hij heeft geen territorium en is al tevreden met een kleine beschutte ruimte voor het grondnest, soms zelfs in een plantenbak of geveltuintje.

 

Beschermingskansen

Particuliere tuinen vormen het grootste oppervlakte van tuinwijken. De bewoners spelen dan ook een hoofdrol in de mate waarin de wijk vogelvriendelijk is ingericht. Soms zijn bewoners zich daar goed van bewust en nemen zelf initiatieven voor vogels en groen. De gemeente kan hier een stimulerende rol bij spelen. Met haar stadsvogelprogramma kan ook Vogelbescherming Nederland hier ondersteuning bieden. Via website en brochures is veel informatie beschikbaar over de vogelvriendelijke tuin. Tuinvogelconsulenten kunnen particulieren daarbij helpen. Voor de vogels draait het in essentie om voedsel, veiligheid en voortplanting (nestgelegenheid).

De beloning van een ‘groene inspanning’ is doorgaans groot en vertaalt zich bijna altijd in een toename van aantallen en soorten. Tuinwijken zijn, samen met stadsparken, het meest vogelrijke wijktype van Nederland. Maar liefst 145 van de ongeveer 180 Nederlandse broedvogelsoorten zijn waargenomen in dit wijktype. Van de meeste soorten zijn de aantallen weliswaar zeer laag, maar er is een enorme variatie en lokale rijkdom.

 

Kenmerkende vogelsoorten

 

Zanglijster

De zanglijster is minder algemeen dan de nauw verwante merel. In het stedelijk gebied is de verhouding 8 merels tegenover 1 zanglijster. De zanglijster stelt hogere eisen aan de leefomgeving dan de merel. De soort heeft een groter territorium en een voorkeur voor meer volgroeide bomen. In Laag Nederland is hij aanwezig in alle wijktypen, met een voorkeur voor open wijken. In Hoog Nederland is hij algemener en komt de voorkeur van deze soort nog duidelijker naar voren. De zanglijster is een van de soorten die het verschil maakt in het referentiebeeld tussen open en gesloten wijken, vanwege meer groen. De aantallen zijn het laagst in nieuwbouwwijken, waar het groen nog te jong is.

 

Zwartkop en tjiftjaf

De meeste boomvogels zijn algemener in Hoog dan in Laag Nederland en prefereren open wijken boven gesloten wijken. Er zijn in Hoog Nederland meer tuinen en er is meer openbaar groen met bomen, wat essentieel is voor het voorkomen van de soorten van dit gilde. Tjiftjaf en zwartkop komen in vrijwel alle wijktypen voor maar de aantallen zijn vaak gering. De tjiftjaf is iets algemener dan de zwartkop en in Hoog Nederland zijn beide soorten weer iets algemener dan in Laag Nederland. De aanwezigheid van dichte ondergroei onder de hoge bomen beperkt het voorkomen van de zwartkop.

 

Roodborst

De roodborst is een bekende vogel, die als wintergast in bijna alle Nederlandse tuinen te zien is. In het broedseizoen zijn de aantallen binnen de bebouwde kom veel lager. De roodborst zoekt het voedsel op de grond en nestelt daar ook vaak. De soort heeft een groter en gevarieerder territorium dan heggenmus en winterkoning. Hij komt in de meeste wijktypen wel voor, maar in lage aantallen en hij heeft een duidelijke voorkeur voor open wijken. De roodborst is in Hoog Nederland over de hele stad algemener dan in Laag Nederland. Daar is de soort als broedvogel zelfs bijna volledig afwezig in de oudste en meest compacte delen van de stad.

 

Heggenmus

De heggenmus bewoont struwelen in een breed scala aan landschappen. De soort leeft in natuurgebieden als de duinen, in boerderijbosjes in het agrarisch cultuurlandschap en in steden. De heggenmus haalt de hoogste aantallen binnen het stedelijk gebied in voor- en naoorlogse wijken in Hoog Nederland. In tegenstelling tot roodborst en winterkoning zijn de aantallen in stadsparken lager dan in woonwijken.

 

Winterkoning

In alle wijktypen komt de winterkoning voor in lage aantallen. Zijn onmiskenbaar luide zang maakt hem tot een makkelijk te inventariseren soort. De winterkoning wordt overal meer waargenomen dan de roodborst en de heggenmus. Deze drie soorten worden vaak samen genoemd. De roodborst en winterkoning halen de grootste aantallen in stadsparken. Opvallend anders dan de meeste andere vogels in het stedelijk gebied is dat de winterkoning in Hoog en Laag Nederland even talrijk in de verschillende wijktypen voorkomt. Bij veel soorten blijkt een duidelijk verschil tussen het voorkomen in Hoog of Laag Nederland.

naar boven


Uitbreidingswijk

Naoorlogse woonwijk met gesloten huizenblokken

 

Tijdens de Tweede Wereldoorlog gingen zo’n half miljoen huizen verloren of raakten zwaar beschadigd. In hoog tempo werd getracht de heersende woningnood weg te werken. Men nam afstand van de vooroorlogse wijze van stadsuitbreiding met vooral kleinschalige laagbouw. De prioriteit lag bij kwantiteit en snelle voortgang. Met industriële bouwmethoden werden in korte tijd nieuwe, grootschalige uitbreidingswijken gebouwd. Daarbij deed een nieuw stedenbouwkundig principe zijn intrede: de scheiding van wonen, werken en recreëren. Ons land maakte een sterke bevolkingsgroei door: van 8,8 miljoen inwoners in 1940 naar 12,9 miljoen in 1970. In dat jaar werd de 2 miljoenste naoorlogse woning opgeleverd. Vanuit het ideaal van de maakbare samenleving was de ruimtelijke ordening centraal geregeld. De wijken uit die tijd zijn vaak planmatig opgezet met een kenmerkend hoekig straatpatroon. Vanaf de jaren 60 kwam er veel hoogbouw aan de randen van de bebouwde kom. Dit werd gezien als de oplossing voor de woningnood. Vanaf de jaren 80 luwde het enthousiasme voor de naoorlogse wijken. De huizen uit de jaren 50 en 60 voldeden niet meer aan de eisen van de tijd, vooral wat ruimte en comfort betreft. Bovendien begonnen de eerste complexen gebreken te vertonen en grootschalig onderhoud werd noodzakelijk. Veel van de oorspronkelijke bewoners trokken er weg. Sommige van deze wijken werden aan het eind van de 20e eeuw gesloopt voor stedelijke vernieuwing. De Vierde Nota Ruimtelijke Ordening Extra uit 1991 markeert misschien wel het definitieve einde van de eerste naoorlogse bouwopvattingen.
 

 

Laag Nederland

De vogelgemeenschap van de uitbreidingswijken in Laag Nederland komt ongeveer overeen met het gemiddelde voor alle wijktypen van Laag Nederland. De meest algemene soort is de kauw, gevolgd door de merel en de gierzwaluw. In de uitbreidingswijken zijn vooral de particuliere tuinen bepalend voor de kwaliteit van de vogelbiotoop. Huizenbroeders en boomvogels zijn hier de best vertegenwoordigde gildes. Huismus, koolmees en Turkse tortel halen er de hoogste aantallen voor Laag Nederland.

De vogelgemeenschap van dit wijktype heeft duidelijk een meer stedelijk karakter dan dat van de naoorlogse open wijken. Er zijn bijvoorbeeld wel stadsduiven, maar geen groenlingen. Dat is een indicatie voor weinig straatbomen. Op platte daken van de aaneengesloten hoogbouw vinden kleine mantelmeeuw en zilvermeeuw veilige broedplaatsen. Deze twee grote meeuwensoorten broeden in toenemende mate in stedelijk gebied nadat zij uit de duinen zijn verdreven door de komst van de vos. De uitbreidingswijken in Laag Nederland herbergen een gemiddeld aantal water- & moerasvogels. Meerkoet, wilde eend en soepeend leven er in siervijvers in plantsoentjes en openbaar groen.
 

Hoog Nederland

De vogelgemeenschap van naoorlogse gesloten wijken in Hoog Nederland contrasteert sterk met die in Laag Nederland. De huizenbroeders zijn weliswaar goed vertegenwoordigd, maar de meest algemene soort is de merel, gevolgd door houtduif en gierzwaluw. Evenals in vooroorlogse gesloten wijken is de variatie aan soorten klein, maar de soorten die er voorkomen zijn er in relatief hoge aantallen. Het aantal merels is hoog, maar de soort is niet zo talrijk als in wijken met open huizenblokken van voor en na de oorlog. Ook de andere gildes zijn in andere wijktypen algemener. Niet één soort haalt de hoogste dichtheid in dit stadsbiotoop. Opvallend zijn de relatief hoge aantallen van de boomvogels ekster en Turkse tortel. De ekster is een van de weinige soorten met een consequente voorkeur voor gesloten wijken. Deze voorkeur zien we vooral bij huizenbroeders. In mindere mate komt dit ook naar voren bij de Turkse tortel.

In vergelijking met open wijken valt op dat de algemene soorten in de naoorlogse wijken evenveel geteld zijn in open als gesloten wijken. Voor deze soorten lijkt de ruimtelijke inrichting niet veel verschil te maken. Dit geldt voor boomvogels als houtduif en Turkse tortel. Het geldt ook voor huizenbroeders als kauw en gierzwaluw. Er ontbreekt in gesloten wijken echter een hele groep soorten waarvoor groen noodzakelijk is, die in naoorlogse open wijken wel voorkomt. Het duidelijkst is dat te zien bij park- & tuinvogels, waarvan alleen de merel algemeen voorkomt en de aantallen van zanglijster en roodborst laag zijn. De aantallen van heggenmus en groenling maken het verschil tussen Hoog en Laag Nederland.

 

Beschermingskansen

Met als uitgangspunt de wijk zoals deze is en voorlopig blijft, kan de aandacht uitgaan naar een meer vogelvriendelijke inrichting van de openbare ruimte en van particuliere tuinen. Bij onderhoudswerkzaamheden aan gevels of daken zijn voorzieningen aan te brengen voor huizenbroeders als huismus of gierzwaluw, bijvoorbeeld de Vogelvide en neststenen. De huismus haalt hier de hoogste aantallen in Laag Nederland. Behoud van deze populaties is van belang voor het herstel van de soort. Behoud van bestaande nestgelegenheid voor huismus en gierzwaluw is inmiddels zelfs verplicht. Sommige gemeenten liepen daarop vooruit. Zo nam de gemeenteraad van Amsterdam al in 1974 een motie aan om nestgelegenheid voor gierzwaluwen veilig te stellen bij renovatie. Beschermingskansen van een wat grotere orde zijn er als stedelijke vernieuwing plaatsvindt. Dan zijn er volop mogelijkheden om bij herinrichting en nieuwbouw ‘groen’ te bouwen en allerlei voorzieningen voor vogels in te passen. Zowel projectontwikkelaars als wooncorporaties spelen daarbij een belangrijke rol. In de praktijk gebeurt het nog te weinig, dat al vanaf de planvorming rekening wordt gehouden met vogels en groen. De checklist Groen Bouwen van Vogelbescherming Nederland kan daarbij een handig hulpmiddel zijn. Winst is ook te boeken door bewoners bij hun leefomgeving te betrekken, bijvoorbeeld met voorlichting over vogelvriendelijke tuininrichting.

 

Kenmerkende vogelsoorten

 

Ekster, zwarte kraai en houtduif

Wie werkt aan de bescherming van vogels in het stedelijk gebied, heeft ongetwijfeld weleens mensen horen verzuchten: ‘Er zitten hier alleen duiven, kraaien en eksters’. Deze drie soorten zijn opvallend aanwezig in alle wijktypen. De hoogste aantallen worden gehaald in wijken waar volop bomen zijn om in te nestelen. Elk van deze drie soorten haalt een hoogste aantal in een ander wijktype. Een voorkeur voor open wijken boven gesloten wijken is te zien bij houtduif en zwarte kraai. De ekster heeft als enige soort buiten het gilde huizenbroeders hogere aantallen in dichte wijken. Dit fenomeen zien we ook bij kauw, gierzwaluw en stadsduif. In de tweede helft van de twintigste eeuw heeft de ekster het stedelijk gebied gekoloniseerd en de bossen en het agrarisch gebied gedeeltelijk verlaten. Bij de voorkeur voor gesloten wijken speelt mogelijk nestplaatsconcurrentie met de zwarte kraai een rol. De zwarte kraai is groter en begint vroeger in het jaar met nestelen. Beter dan de zwarte kraai weet de ekster nieuwe, onbekende voedselbronnen te ontdekken en benutten. Dat maakt de soort succesvol in ook minder favoriete biotopen.

In de twintigste eeuw heeft ook de houtduif de stad als leefgebied ontdekt. In Amsterdam vond het eerste broedgeval in de binnenstad plaats in 1928. Inmiddels is het een van de meest algemene broedvogels in de hoofdstad. De houtduif is in alle wijktypen talrijker dan ekster en zwarte kraai. Het territorium van deze soort is veel kleiner dan dat van de kraaiachtigen. De houtduif heeft een lichte voorkeur voor open wijken boven gesloten wijken. De aantallen nemen toe naarmate de stad ouder wordt. De laagste aantallen zijn geteld in nieuwbouwwijken. De aantallen van ekster en zwarte kraai nemen juist af naar mate wijken ouder worden.

 

Wilde eend en meerkoet

Wilde eend en meerkoet zijn de meest getelde en meest verspreid voorkomende water- & moerasvogels in het stedelijk gebied. In ons waterrijke land komen zij voor in bijna alle wijktypen. De vogels zijn er geliefd bij jong en oud. Voor menig kind behoort het ‘eendjes voeren’ tot de eerste natuurbeleving en later vaak tot dierbare jeugdherinneringen. In Laag Nederland zijn wilde eend en meerkoet zo algemeen dat ze de referentiebeelden van alle wijktypen halen. In Hoog Nederland zijn de aantallen lager, met name in oude wijken waar waterpartijen schaars zijn. Tegenwoordig voorziet bijna elk plan voor stedelijke uitbreiding of vernieuwing wel in waterpartijen. Wilde eend, meerkoet en andere water- & moerasvogels zullen daarvan profiteren. In nieuwbouwwijken is dit al duidelijk te zien.

 

Koolmees

Misschien wel het meest van alle stadsvogels heeft de koolmees zich aan het urbane leven aangepast. Maar liefst de helft van de Nederlandse populatie leeft binnen de bebouwde kom. Ze hebben er een eigen geluidenrepertoire ontwikkeld dat afwijkt van hun verwanten in het bos. En ze blinken uit in hun veelzijdige nestplaatskeuze. Koolmezen zoeken hun voedsel overwegend in boomkruinen en gaan zo zelfs in de grootste stadsdrukte ongestoord hun gang. Het grondgebruik door mensen zit de soort niet echt in de weg. Anders ligt dat bij soorten die hun voedsel voornamelijk op de grond zoeken zoals de huismus. In het stedelijk gebied van Laag Nederland is de koolmees gemiddeld iets algemener dan de huismus. In Hoog Nederland is de koolmees nog iets talrijker dan in Laag Nederland. De gemiddelde aantallen van de huismus zijn hier bijna het dubbele dan die van de koolmees.

naar boven


Het nieuwe bouwen

Naoorlogse woonwijk met open huizenblokken

 

De enorme bouwinspanningen na 1945 gingen gepaard met een optimistisch vooruitgangsgeloof. Aan de randen van de steden verschenen nieuwe wijken. De stroming van het Nieuwe Bouwen – al ontstaan in de jaren twintig – kwam nu volop tot ontplooiing. Met als uitgangspunten licht, lucht en ruimte probeerde men een alternatief te ontwikkelen voor de soms overbevolkte wijken in de binnenstad. Het gesloten woonblok maakte plaats voor sober vormgegeven strokenbouw. Aan de stadsrand verschenen geheel nieuwe wijken met doorgaans een afwisseling van laag-, middel- en hoogbouw. Groen-, water- en sportvoorzieningen waren al in de planfase bepalend voor de plattegrond van de wijk. Zeker in de latere ontwerpen werd de scheiding tussen wonen, werken, verkeer en recreatie steeds verder doorgevoerd. Vaak werd eerst de ruimte vormgegeven en daarna de bebouwing. Het oorspronkelijke ontwerp van de Bijlmermeer is daar een goed voorbeeld van. Door het open en groene karakter werden deze wijken ook wel als tuinsteden gekarakteriseerd.

De ruimte rond met name de grote steden in de Randstad bleek al snel niet meer toereikend om aan de woningbehoefte te voldoen. Rond kleine steden en dorpen werden ook nieuwe woonwijken gepland. Plaatsen als Zoetermeer en Nieuwegein groeiden explosief. In de IJsselmeerpolders ontstonden de nieuwe steden Lelystad en Almere. Geleidelijk aan veranderden ook de bouwinzichten en woonbehoeften. Er kwamen tal van uitbreidingswijken met laagbouw, met name in de overloopgemeenten. Om ook welgestelden binnen de gemeente te houden, werd voorzien in ‘gouden randjes’, waar half vrijstaande woningen en bungalows verrezen.
 

 

Laag Nederland

De vogelbevolking in naoorlogse open wijken lijkt op die in de vooroorlogse open wijken, al is de variatie iets minder groot. Struikvogels, boomvogels en de park- & tuinvogels zijn zelfs iets beter vertegenwoordigd in dit wijktype, maar de meest soorten halen de hoogste aantallen in stadsparken. De meest algemene soort is de merel, gevold door de kauw. Merel en groenling halen hier de hoogste aantallen van alle wijktypen in Laag Nederland. In naoorlogse open wijken is de variatie aan soorten veel groter dan in naoorlogse woonwijken met gesloten blokken. Er leven weinig stadsduiven, waarschijnlijk vanwege de concurrentie met andere soorten duiven en kraaiachtigen.

In de naoorlogse open wijken zijn weinig water- & moerasvogels en pioniers aanwezig. Waar dit wijktype aan het buitengebied grenst, is de variatie aan water- & moerasvogels groter. Dan verschijnen ook kleine aantallen van fuut, knobbelzwaan en waterhoen. Bovendien leven er kuifeend en grauwe gans, die in navolging van eerdergenoemde soorten bezig zijn met een opmars in stedelijk gebied.

 

Hoog Nederland

Er is in Hoog Nederland minder druk op de ruimte, waardoor er vaak ruimer en wat kleinschaliger gebouwd is. De vogelgemeenschappen van de drie wijktypen vooroorlogs open en naoorlogs open én gesloten komen in Hoog Nederland sterk overeen. De meest algemene soort is de merel, gevolgd door de houtduif.

De tuinen met struiken en gazons zijn het ideale leefgebied voor de merel, nergens in Nederland is de soort algemener. Het is opvallend dat algemene en wijdverspreide holenbroeders als koolmees en pimpelmees, ongeveer evenveel geteld zijn in open als gesloten wijken. Hier en daar komen zelfs minder talrijke holenbroeders als holenduif en ringmus in lage aantallen voor. Park- & tuinvogels als vink, roodborst en zanglijster zijn iets algemener in open dan in gesloten wijken. Dit geldt in mindere mate ook voor struikvogels als winterkoning, heggenmus en fitis. Ook de spreeuw prefereert de open wijken. Deze soort vindt er nestgelegenheid in huizen en geschikt voedselgebied in de directe omgeving. Siervijvers in tuinen en plantsoenen bieden leefgebied aan de wilde eend. Naast deze meer algemene vogels komen in dit wijktype onderscheidende soorten voor als huiszwaluw, boomklever, grote bonte specht.

 

Beschermingskansen

De vrij strakke en uniforme hoogbouw uit deze periode biedt weinig mogelijkheden voor huizenbroeders. Verbeteringen voor het leefklimaat van vogels liggen des te meer in de particuliere tuinen, het openbaar groen en het water. Het is al jaren de trend om erfscheidingen als hagen te vervangen door schuttingen en gazons door bestrating. Bouwmarkten spelen daar graag op in. Alle individuele tuinen tezamen vormen in potentie een geweldig gevarieerd leefgebied voor een grote diversiteit aan vogels. Maar hoe meer de tuinen verstenen, hoe minder aantrekkelijk het voor vogels en andere dieren wordt. Voor Londen bijvoorbeeld is berekend dat het oppervlak bestrate tuinen gelijk is aan twintig maal het oppervlak van Hyde Park! Ofschoon niet bekend voor Nederland, gaat het hier waarschijnlijk om dezelfde orde van grootte.

Naoorlogse open wijken kennen relatief veel openbaar groen. Met meer kennis van wat vogels nodig hebben, is daar veel winst te boeken. Breng bijvoorbeeld meer variatie aan in begroeiing en plant besdragende struiken en inheemse boomsoorten. Water, vaarten, sloten, siervijvers en dergelijke, kun je verbeteren door natuurvriendelijke inrichting van oevers. Behalve water- & moerasvogels profiteren daar ook soorten als kleine karekiet van.

 

Kenmerkende vogelsoorten

 

Merel

In de twintigste eeuw heeft de merel, oorspronkelijk een schuwe bosvogel, het cultuurland en stedelijk gebied veroverd. Dat mogen we gerust een aanwinst noemen. Voor heel wat stedelingen is de betoverende merelzang het eerste, welkome teken van de lente. Rond de laatste eeuwwisseling was de merel zelfs de talrijkste Nederlandse broedvogel, nog boven de huismus! In het Meetnet Urbane Soorten wordt de aanwezigheid van de merel in elk postcodegebied vastgesteld. In aantal is het na de kauw de meest getelde soort. In de gesloten bouw zijn de aantallen steeds iets lager dan in de open bouw uit dezelfde periode. Dat geldt zelfs voor de nieuwbouw. Het aantal merels neemt toe naarmate een wijk ouder wordt.

 

Spreeuw

De spreeuw broedt in iets grotere holten dan huismus en koolmees. Volgens de MUS-tellingen komen in open nieuwbouwwijken de hoogste aantallen voor. Een deel van deze waarnemingen betreft mogelijk foeragerende spreeuwen uit aangrenzende oudere wijken, waar ze broeden. Het aantal telpunten in nieuwbouw is bovendien vrij laag, waardoor enige reserve bij de interpretatie van deze gegevens gepast is. Los van voornoemd wijktype komen de grootste aantallen spreeuwen voor in de voor- en naoorlogse wijken. Het laagst zijn de aantallen in de historische kernen en vooroorlogse gesloten wijken van Laag Nederland. Ook in het stadspark is de spreeuw, enigszins tegen de verwachting in, beperkt in aantal.

 

Vink

Net als andere oorspronkelijke bosvogels heeft de vink zich steeds verder verspreid over het stedelijk gebied van Laag Nederland. De vink is één van de 18 vogelsoorten die voorkomt in alle 9 wijktypen in Hoog en Laag Nederland. De aantallen per wijktype verschillen echter behoorlijk. De aanwezigheid van hoge bomen is de belangrijkste voorwaarde voor het voorkomen van de vink. Naoorlogse open wijken in Hoog Nederland zijn het favoriete wijktype van de vink, het aantal is er 5 maal hoger dan in arbeiderswijken in Laag Nederland.

 

Pimpelmees

De pimpelmees komt in alle wijktypen voor, al ontbreekt hij nagenoeg op bedrijventerreinen en in gesloten nieuwbouw in Laag Nederland. De aantallen van de pimpelmees zijn bijna steeds ongeveer de helft van de nauw verwante koolmees. Aangenomen wordt dat concurrentie met de grotere koolmees vooral een rol speelt bij nestplaatsen en dat het niet om voedselconcurrentie gaat.

naar boven


Vinex en stedelijke vernieuwing

Nieuwbouw na 1990 met gesloten huizenblokken

 

De periode rond 1990 laat een duidelijke trendbreuk zien met eerdere grootschalige stadsuitbreidingen. Meer dan voorheen worden de plannen gevormd vanuit een integrale visie op huisvesting, werkgelegenheid, mobiliteit en voorzieningen. Vooral de Vierde Nota Ruimtelijke Ordening Extra uit 1991, algemeen bekend als Vinex, is van grote invloed. Vinex wijst grootschalige nieuwbouwlocaties aan waarover rijk, provincies en gemeenten het eens zijn geworden. De wens is het platteland zo veel als mogelijk te ontzien en de dreigende leegloop van grote steden tegen te gaan. De compacte stad is een belangrijk uitgangspunt. Veel Vinex-locaties liggen dan ook binnen of aan de rand van bestaande stedelijke agglomeraties. Nieuwbouw met gesloten huizenblokken vindt ook plaats in het kader van stedelijke vernieuwing, met name in de grote steden. Verschillende binnenstedelijke gebieden verliezen hun oorspronkelijke functie, zoals oude haventerreinen, terreinen van stedelijke nutsbedrijven of stationsgebieden. Hier ontstaat ruimte voor nieuwe woningen. Het hergebruik van deze gebieden verloopt op kleine schaal en vaak wordt rekening gehouden met de cultuurhistorische waarde als belangrijke factor voor de herontwikkeling. Voorbeelden zijn de Kop van Zuid in Rotterdam, Céramique in Maastricht en het Oostelijk Havengebied in Amsterdam. Belangrijk voor deze bouwperiode is ook het Bouwbesluit uit 1993. De hieruit voortvloeiende efficiëntere en meer uniforme bouw maakte huizen minder geschikt als nestplaats voor vogels als huismus en gierzwaluw.
 


 

Laag Nederland

Bij nieuwbouw wordt de soortenrijkdom in belangrijke mate bepaald door de omgeving. Het maakt veel uit of nieuwbouw grenst aan het buitengebied of is ingepast in een oud stadscentrum. In de compacte nieuwbouw is er meer aandacht voor water – en vooral voor waterafvoer – dan in oudere wijktypen. Waterberging en -afvoer vormen dan ook vaak een integraal onderdeel van het ontwerp van nieuwbouwwijken.

De meest algemene soort is de wilde eend, gevolgd door de kauw en de kokmeeuw. Geen ander wijktype herbergt bijna alle soorten uit de gildes water- & moerasvogels en pioniers. Het is een karakteristieke vogelgemeenschap, die verder te typeren is al relatief vogelarm. Beeldbepalend zijn meerkoet, wilde eend en kokmeeuw, die er in grote aantallen voorkomen. De kokmeeuw haalt hier de hoogste aantallen van alle wijktypen. Ook soorten als kleine mantelmeeuw, zilvermeeuw en grauwe gans zijn opvallend goed vertegenwoordigd.

In dit wijktype is vaak veel water en nog weinig groen. Typische park- & tuinvogels en boomvogels als merel en houtduif, die in de andere wijktypen veel worden geteld, zijn hier nog maar in lage aantallen aanwezig. Het aantal pimpelmezen is opvallend laag in vergelijking met andere wijktypen. Dit geldt ook voor de huizenbroeders. Na verloop van tijd nemen al deze soorten steeds meer bezit van dit wijktype. In Almere broeden hu ismussen zelfs in grote gebouwen en winkelcentra.

 


 

Hoog Nederland

Het beeld van de vogelgemeenschap van dit wijktype is gebaseerd op slechts een beperkt aantal telpunten. Enige reserve is daarom op zijn plaats. Anders dan in Laag Nederland is de houtduif er de meest algemene vogelsoort, gevolgd door de kauw en de gierzwaluw. De houtduif neemt hier zelfs genoegen met jong aangeplante straatboompjes als nestplaats. Van de huizenbroeders zijn huismus en spreeuw minder algemeen dan in andere wijktypen in Hoog Nederland. Deze soorten verlangen meer groen in de directe omgeving van de nestplaats dan een nieuwe wijk doorgaans te bieden heeft. De meest karakteristieke huizenbroeder van dit wijktype is de zwarte roodstaart, die juist een voorkeur heeft voor de nog kale, niet ingerichte omgeving.

Opvallend verschil met Laag Nederland is ook dat water- & moerasvogels en pioniers nagenoeg ontbreken. Hierdoor is dit wijktype veel vogelarmer dan de meeste andere woonwijken. In Hoog Nederland heeft de gesloten nieuwbouw met de arbeiderswijk en de uitbreidingswijk gemeen dat er relatief weinig soorten voorkomen. De soorten die er zijn, worden evenwel in behoorlijke aantallen geteld. Dat geldt bijvoorbeeld voor houtduif, koolmees, kauw en zwarte kraai.

 

Beschermingskansen

Bij reeds bestaande nieuwbouw zijn tal van vogelvriendelijke maatregelen inpasbaar, vooral in de sfeer van openbaar en particulier groen. Bij nog te realiseren nieuwbouw liggen grotere kansen om structureel beschermingsmaatregelen toe te passen. De praktijk leert dat het dan de voorkeur verdient al vanaf de planvorming rekening te houden met vogels en groen. De checklist Groen Bouwen van Vogelbescherming Nederland is daarbij een handig hulpmiddel. Het integreren van voorzieningen voor vogels in een vroegtijdig stadium brengt meestal geen of nauwelijks extra kosten met zich mee. Vanuit dat oogpunt is bijvoorbeeld de Vogelvide ontwikkeld. Verder zijn groene daken en gebruik van streekeigen heesters en straatbomen makkelijk te realiseren.

In Laag Nederland is grote winst te boeken door oevers van waterlopen natuurvriendelijk in te richten. Ook kunnen nestvlotjes en drijvende tuinen – floatlands – de waarde voor vogels vergroten.

De telgegevens van MUS over de afgelopen jaren maken duidelijk dat nieuwe wijken met gesloten huizenblokken na verloop van tijd het leefgebied worden van de meest succesvolle stadsvogels, zoals stadsduif en kauw. Met de ontwikkeling van groen zullen soorten als merel, koolmees en houtduif volgen. Dat geldt ook voor de gierzwaluw, mits we voor nestgelegenheid zorgen.

 

Kenmerkende vogelsoorten

 

Water – & moerasvogels

In gesloten nieuwbouwwijken is relatief weinig ruimte tussen de huizen. De groene omgeving is van geringe betekenis, maar er is doorgaans wel veel water dankzij voorzieningen voor de waterhuishouding. Het water is leefgebied voor vertrouwde water- & moerasvogels in het stedelijk gebied zoals eenden en meeuwen. We treffen hier de hoogste aantallen aan van wilde eend, meerkoet, kokmeeuw en grauwe gans. Bovendien grenzen veel nieuwbouwwijken aan het buitengebied, waardoor water- en moerasvogels zich makkelijker vestigen in dit wijktype. Knobbelzwaan, fuut en kuifeend halen hier dan ook de hoogste aantallen. Sinds midden vorige eeuw neemt de kuifeend in ons land in aantal toe en deze soort heeft zich inmiddels ook in stedelijk gebied gevestigd. In Hoog Nederland komt hij voornamelijk voor in parken met grote waterpartijen. In het waterrijke Laag Nederland verschijnt hij ook in andere wijktypen met voldoende open water.

De grauwe gans kent een enorme toename van de populatie in het landelijk gebied. De soort is nu ook bezig met een opmars in stedelijk gebied. Van de grauwe gans zien we de hoogste aantallen in nieuwbouwwijken rond de stad. In lage aantallen komt de soort ook al voor in de meest andere wijktypen in Laag Nederland. Ook in het stedelijk gebied van Hoog Nederland is de opmars zichtbaar. In mindere mate neemt ook de krakeend in aantal toe en deze soort heeft zich recentelijk als broedvogel binnen de bebouwde kom gevestigd. In Laag Nederland zijn de aantallen in gesloten nieuwbouwwijken nét hoog genoeg om te worden opgenomen in dit boek.

Hoewel de meeste eendachtigen op de grond broeden, stellen deze soorten weinig eisen aan de broedbiotoop. Zij hebben geen territorium en voor het nest volstaat een kleine, beschutte ruimte langs een oever, in een plantenbak of geveltuintje. Na het uitkomen van de eieren leidt de moeder haar jongen direct naar het water.

Het succesverhaal van de fuut lijkt op het verhaal van de merel. In de tijd van Jac. P. Thijsse, de grondlegger van de natuurbescherming in ons land, was de fuut nog een schuwe vogel van moeras en plas. Inmiddels laat hij zich in alle wijktypen van Laag Nederland bewonderen. De fuut komt vaak samen voor met de meerkoet. Als viseter heeft de fuut een groter voedselterritorium dan de omnivore meerkoet en komt mede daarom in lagere aantallen voor.

Wie de kleine karekiet associeert met ongerepte natuur en ondoordringbaar rietmoeras, komt in sommige nieuwbouwwijken en stadsparken van Laag Nederland bedrogen uit. De soort kan zich zelfs vestigen in de meest minuscule rietkraagjes langs oevers van stedelijke waterpartijen.

naar boven


Moderne nieuwbouw

Nieuwbouw na 1990 met open huizenblokken

 

De open nieuwbouw na 1990 ligt veelal aan de rand van de bebouwde kom. Over het algemeen zijn deze nieuwe woonlocaties ruim van opzet. Soms is er sprake van afwisselend hoog- en laagbouw, soms zijn er wijken met overwegend laagbouw: twee of drie woonlagen met een kap of plat dak. Nieuwe inzichten over water en waterbeheer vinden in deze wijken volop toepassing via bijvoorbeeld een ‘waterstructuurplan’. Naast sloten en vijvers voor waterretentie verschijnen ook wadi’s in het straatbeeld. Het regenwater dat op de verharde oppervlakken valt wordt erin opgevangen, waarna het langzaam in de bodem infiltreert. In 2001 wordt een begin gemaakt met de decentralisatie van de ruimtelijke ordening. Bevoegdheden komen steeds vaker te liggen bij provincies en gemeenten. Er ontstaat meer ruimte voor verschillende architectuurstijlen. Daarnaast krijgen de milieuaspecten steeds meer aandacht en wordt er gevarieerd gebouwd naar woningtype en prijsklasse. Een nieuw fenomeen is dat van de zelfbouwkavels. Er is veel variatie in vormgeving, vooral bij de particuliere vrijesectorwoningen. Binnen de projectmatig gebouwde gedeelten is sprake van meer uniformiteit.

In de prille fase van dit wijktype is het groen weliswaar nog weinig ontwikkeld, maar er ligt wel grond braak. Dat biedt kansen aan bijvoorbeeld pioniers.

 


 

Laag Nederland

Dit wijktype met open bouw is aanmerkelijk vogelrijker dan nieuwbouwwijken met gesloten huizenblokken. Een verklaring daarvoor ligt vooral in de omgevingsfactoren en niet zozeer in de aard van de bouw. Grootschalige, open nieuwbouwwijken zijn ruim van opzet en waterrijk. Daarnaast is er, zeker in de beginfase, een behoorlijke afwisseling van grondgebruik. Er liggen terreinen braak en er is nog een relatief open uitwisseling met de omgeving. Vaak ook zijn er nog oude landschapselementen, die soms zelfs in de plannen worden ingepast. Het meest kenmerkend is het voorkomen van pioniers die zich tijdelijk vestigen op braakland of profiteren van jonge aanplant. Zo is het voorkomen van de putter karakteristiek, terwijl ook huiszwaluw en scholekster opvallen. Huiszwaluw en roek halen hier zelfs hun hoogste aantallen in vergelijking met andere wijktypen. Van alle wijktypen in Laag Nederland worden spreeuw en soepeend hier het meest geteld. De meest algemene soort is echter de merel, gevolgd door de huismus. In de eerste jaren van nieuwbouwwijken zijn deze soorten doorgaans nog niet aanwezig, maar na verloop van tijd vinden deze typische stadsvogels ook hier hun weg. In hun voetspoor volgen houtduif, koolmees en de andere boomvogels en holenbroeders die ook in de oudere wijktypen aanwezig zijn. Naast deze meer algemeen geldende ontwikkelingen zijn er ook variaties tussen nieuwbouwlocaties onderling. Zo zal de ene nieuwbouwwijk wel tijdelijk aantrekkelijk zijn voor bijvoorbeeld een kolonie visdieven en andere juist niet. En op de ene locatie komen groepjes brandganzen voor, terwijl die elders ontbreken.

 


 

Hoog Nederland

Nieuwbouw met open huizenblokken is een bijzonder wijktype. Vergeleken met alle andere wijktypen leven in open nieuwbouw in Hoog Nederland het grootste aantal vogels én vogelsoorten. Dit weerspiegelt de doorgaans grote variatie van dit wijktype door de ligging aan de rand van de stad, de afwisseling van bebouwd en braak land, waterelementen en resten van de oorspronkelijke biotoop. Deze situatie is echter tijdelijk van aard. De variatie aan landschapselementen zal verdwijnen naarmate de wijk wordt voltooid. In de open nieuwbouw van Hoog Nederland is de huismus de meest algemene soort, gevolgd door de merel. De huismus is zelfs in geen enkele ander wijktype van Hoog of Laag Nederland beter vertegenwoordigd dan hier. Het is opmerkelijk hoe snel deze soort plaatselijk profiteert van stadsontwikkeling en nieuwbouw, mits het leefgebied voldoet aan zijn eisen. Dat is een hoopvol signaal voor deze Rode Lijstsoort.

Als het groen zich met de jaren ontwikkelt, volgen al snel de meer algemene park- & tuinvogels, boomvogels en holenbroeders. Vooral die laatste categorie is bij nieuwbouw aanvankelijk nog sterk aangewezen op aangeboden nestgelegenheid in de vorm van nestkasten.

Door de prominente rol van water halen wilde eend, meerkoet en kokmeeuw hier hoge aantallen. Pioniers als kneu en putter vinden er geschikt leefgebied, evenals de groenling die hier zelfs de hoogste aantallen bereikt. Deze drie soorten vinden er voedsel en nestelen in jonge sierbeplanting. Dankzij jonge pioniersbegroeiing horen we hier ook de fitis. Soorten van verschillende gildes profiteren van de nabijheid van het buitengebied, waar ze in groepen hun voedsel zoeken. We zien er boerenzwaluw, roek, zwarte kraai en spreeuw.

 

Beschermingskansen

De ontwikkeling van nieuwe wijken biedt tijdelijke kansen aan pioniers en spontane natuurontwikkeling. Bij langdurige braakligging kun je gebruikmaken van de Regeling Tijdelijke Natuur. Voor specifieke maatregelen die vogels en groen ten goede komen, kan al het beste bij de planvorming rekening worden gehouden. Zoals met de aanleg van een oeverzwaluwwand of een huiszwaluwtil, een noviteit waarvan de eerste in 2008 in Biddinghuizen werd geplaatst. De checklist Groen Bouwen van Vogelbescherming is hier het hulpmiddel bij uitstek. De moderne architectuur leent zich uitstekend voor multifunctioneel ruimtegebruik, zoals het toepassen van groene gevels en begroeide daken. Deze maatregelen vergroten het leefgebied voor vogels. In tal van Nederlandse steden zijn daar inmiddels inspirerende voorbeelden van te zien die navolging verdienen. De steeds prominentere rol van water biedt kansen aan water- & moerasvogels. Natuurvriendelijke oevers maken al een groot verschil. Eenmaal na oplevering is de grootste en meest bepalende rol weggelegd voor de bewoners. Betrek de bewoners al vanaf het begin bij de beoogde groene ontwikkeling van de wijk. Een vogelvriendelijke inrichting van tuinen speelt daarbij een belangrijke rol.

 

Kenmerkende vogelsoorten

 

Zwaluwen

Huiszwaluw en boerenzwaluw komen in zeer geringe aantallen voor in de meeste wijktypen. Ondanks de lage aantallen blijkt een duidelijke voorkeur voor open wijken. Bepalend voor hun voorkomen is de aanwezigheid van nestgelegenheid, nestmateriaal en voedsel. De zwaluwen nestelen in bouwwerken en zoeken voedsel (insecten) in een straal van enkele honderden meters rond hun nestplaats. De huiszwaluw foerageert veelal in de windluwte van gebouwen, de boerenzwaluw jaagt voornamelijk in het buitengebied. Nestmateriaal als natte klei of leem verdwijnt als de wijken zijn voltooid, waardoor ook de zwaluwen verdwijnen.

De oeverzwaluw is een echte pionier. De vogels vestigen zich in kolonies in zandhopen op bouwplaatsen bij nieuwbouw. Als een gebied volledig is ingericht en de zandhopen zijn afgegraven, verdwijnen ze weer. Oeverzwaluwen zijn geholpen met de aanleg van een permanente oeverzwaluwwand. Voor huiszwaluwen is de huiszwaluwtil geschikt als nestgelegenheid. In Nederland zijn hier inmiddels succesvolle ervaringen mee opgedaan.

 

Visdief

Tijdelijk kale spuitvlakten van nieuwbouwwijken en platte daken op bedrijventerreinen herbergen enkele kolonies van formaat. Dit komt duidelijk tot uiting in grafiek 25. Vanuit de broedkolonie maakt de visdief soms lange voedselvluchten naar geschikt viswater in de wijde omtrek. Hij komt marginaal voor in het stedelijk gebied van Hoog Nederland. Enkele broedgevallen op platte daken zorgen voor een iets hogere presentie op bedrijventerreinen. In Laag Nederland komt de visdief in lage aantallen voor in de meeste wijktypen. Het gaat dan lang niet altijd om ter plaatse broedende vogels. Voedselzoekende individuen kunnen kilometers ver van de nestplaats boven elke type water worden waargenomen.

 

Putter, kneu en groenling

Binnen de bebouwde kom vormen open nieuwbouwwijken de uitgesproken voorkeursbiotoop van putter en kneu. Ze vinden er geschikt voedselgebied op braaklandjes met spontaan opgeschoten ruigtekruiden als distel, klit, paardenbloem en diverse soorten kruisbloemigen. De kneu zoekt in jong struikgewas of sierbeplanting een geschikte nestplaats, de putter nestelt in jonge aanplant van straatbomen. De putter blijft, hoewel laag in aantal, als broedvogel aanwezig als de wijk veroudert. Hij maakt dan tijdens de broedtijd voedselvluchten naar ruderale terreintjes. Door jonge aanplant te realiseren in oudere wijken blijven deze geschikt als broedgebied. Als straatbomen van nieuwbouwwijken ouder worden, verliezen de putters hun interesse en nemen de groenlingen hun plek over. De groenling is een karakteristieke vertegenwoordiger van het stedelijk groen en hij komt in lage aantallen voor in alle wijktypen. De aantallen zijn hoger in woonwijken dan in stadsparken. De soort prefereert open wijken boven gesloten wijken.

naar boven


Bedrijventerrein

Grootschalige terreinen met kantoren, bedrijfsgebouwen en industrie

Op bedrijventerreinen vinden we een keur aan activiteiten variërend van opslag en fabricage tot aan groothandel en kantoren. De laatste decennia zijn veel nieuwe bedrijventerreinen ontwikkeld, vaak grenzend aan landelijk gebied en nabij goede verbindingswegen. Ze zijn redelijk uniform van karakter en kennen een overwegend nieuwe, in elk geval naoorlogse, bebouwing. We noemen ze ook wel bedrijvenparken. Daarnaast zijn er grootschaliger bedrijventerreinen met een meer industrieel karakter. Deze bevinden zich veelal bij havens en bieden plaats aan bijvoorbeeld fabrieken, op- en overslag van bulkgoederen, elektriciteitscentrales en raffinaderijen.

Op bedrijventerreinen kijkt men doorgaans niet bewust naar groenvoorzieningen met ecologische meerwaarde. Wat er aan groen is, bestaat meestal uit sierbeplanting als coniferen. Andere voorkomende groenelementen zijn hagen, struiken, bermen en gazons. Er staan gewoonlijk geen straatbomen, hooguit op de grens met het buitengebied. Interessanter zijn soms de randen, die gevormd kunnen worden door oude landschapselementen als sloten met rietkragen en oude knotwilgen. Daarnaast zijn er vaak overhoekjes en braakliggende percelen met ruigtekruiden of jong struikgewas zoals schietwilgen. De meestal grote oppervlakten aan platte daken kunnen nestgelegenheid bieden aan dakbroedende vogels als scholekster of visdief. Aantrekkelijk voor vogels is de relatieve rust op bedrijventerreinen. De activiteiten beperken zich meestal tot de werkweek en alleen overdag.

 


 

Laag Nederland

Voor de vogelbevolking op bedrijventerreinen zijn twee factoren in sterke mate bepalend. Allereerst is dat de ruimtelijke opzet, de soort bebouwing en de relatieve rust. Daarin verschillen bedrijfsterreinen in Hoog en Laag Nederland niet van elkaar. Ten tweede speelt de aangrenzende omgeving een belangrijke rol. Vooral vogelsoorten die niet gebonden zijn aan een beperkt broedbiotoop en die voedselvluchten maken, kunnen van die grenssituatie profiteren.

Op bedrijventerreinen komen veel soorten voor die we ook kennen van woonwijken. De meest algemene soort is de kauw, gevolgd door merel en houtduif. De huizenbroeders zijn vertegenwoordigd door relatief lage aantallen stadsduif, spreeuw, gierzwaluw en lokaal een kolonie huismussen. Ook boomvogels als zwarte kraai, tjiftjaf, ekster, Turkse tortel en vink zien we hier. Waar bedrijventerreinen zich onderscheiden van andere wijktypen, is in het voorkomen van pioniers. Zo huisvesten enkele bedrijventerreinen in Laag Nederland grote kolonies meeuwen op de platte daken en op kale stukken extensief gebruikte grond. Een andere karakteristieke pionier is de scholekster, die hier de hoogste aantallen haalt in stedelijk Laag Nederland. Vooral in Laag Nederland vinden we enkele grote bedrijventerreinen met een industrieel karakter, zoals havens. Verschillende soorten meeuwen en visdiefjes broeden hier ongestoord op de platte daken en vinden voedsel op vliegafstand.

 


 

Hoog Nederland

In Laag Nederland zijn bedrijventerreinen gemiddeld iets soortenrijker dan in Hoog Nederland, maar de aantallen per soort zijn in Hoog Nederland weer groter. Kauw, houtduif en merel zijn hier de meest algemeen voorkomende soorten. Van de huizenbroeders lijkt de zwarte roodstaart de karaktersoort van dit wijktype. Zaadetende soorten als stadsduif en huismus profiteren van de aanwezige graanopslag en veevoederbedrijven. Holenbroeders komen er in lagere aantallen voor dan in woonwijken en parken, maar de positie van de holenduif is juist weer opvallend. Niet dat de aantallen hoog zijn, maar wel het hoogst in vergelijking met alle andere wijktypen in zowel Hoog als Laag Nederland. De soort nestelt hier en daar in gebouwen en zoekt voedsel in aangrenzend agrarisch gebied. Een enigszins vergelijkbaar patroon volgt de roek. Ook roeken foerageren op landbouwgrond en vinden plaatselijk op bedrijventerreinen geschikte boomgroepen voor hun kolonies. Kenmerkend is het voorkomen van pioniers als scholekster en lage aantallen van witte kwikstaart en kneu. Daarnaast bieden enkele bedrijventerreinen huisvesting aan meeuwenkolonies. Vooral de kokmeeuw, een op de grond broedende soort die we meer in het binnenland aantreffen dan andere soorten meeuwen. Kokmeeuwen nemen in Hoog Nederland recent in aantal toe, maar hun aantallen zijn nog relatief bescheiden. Bij al deze kolonievogels geldt de kanttekening dat ze op sommige telpunten in grote aantallen kunnen voorkomen en elders geheel ontbreken.

 

Beschermingskansen

1 op de 6 bedrijventerreinen grenst aan de Ecologische Hoofdstructuur. Door de aard en ligging, tussen buitengebied en stadskern, hebben bedrijventerreinen voor bepaalde vogelsoorten een groot potentieel. Soms benutten vogels er spontaan kansen, bijvoorbeeld visdieven die er op grinddaken broeden en hun voedsel bij nabijgelegen wateren zoeken. We kunnen hier echter met gerichte aandacht veel meer voor vogels bereiken. Met name door te letten op inrichting en beheer van groenstroken en randen, aandacht voor overhoekjes en voor de bebouwing zelf. Groene daken, halfbestrating, natuurvriendelijk bermbeheer en hagen bijvoorbeeld verhogen de natuurwaarden aanzienlijk. Soms kun je zelfs een kavel exclusief inrichten voor natuur. Op grote industriële locaties is de maatvoering en het type bedrijvigheid heel anders. Waar open ruimte nog geen bestemming heeft, is plaats voor natuurlijke dynamiek en kunnen we de Regeling Tijdelijke Natuur toepassen. Met voorzieningen als grinddaken en het aanwijzen van onbebouwde percelen kun je de aanwezigheid van bijvoorbeeld meeuwen sturen naar de meest gewenste locaties op een bedrijventerrein. Indien men op andere plekken overlast ervaart van de aanwezigheid van een meeuwenkolonie.

 

Kenmerkende vogelsoorten

 

Scholekster

De scholekster is aan het verstedelijken. Hij vindt op bedrijventerreinen nestgelegenheid op platte daken. Vaak foerageren de vogels op nabijgelegen gazons, sportterreinen en brede bermen. Elders maken ze voedselvluchten naar aangrenzend landbouwgebied. De scholekster is een opvallende, luidruchtige verschijning die zich gemiddeld op de helft van de telpunten op bedrijventerreinen laat zien. Hun aantallen zijn daarom hoger dan van andere solitair territoriale soorten als zwarte roodstaart en witte kwikstaart. Landelijk gezien gaat de scholekster als kust- en plattelandsvogel hard in aantal achteruit. In de bebouwde kom neemt hij als broedvogel juist in aantal toe. Het broedsucces is binnen de bebouwde kom veel beter dan in het buitengebied. Het aandeel van de stadse scholeksters in de totale landelijke populatie is naar schatting rond de 5%.

 

Zwarte roodstaart en witte kwikstaart

De zwarte roodstaart is een oorspronkelijke bewoner van rots- en bergachtige gebieden. Deze insecteneter gedijt in een stedelijke omgeving afgewisseld met korte, open vegetaties waar hij zijn voedsel vindt. Door deze biotoopeisen heeft de soort een uitgesproken voorkeur voor bedrijventerreinen, bouwplaatsen, nieuwbouwwijken en dergelijke. Wijken die volledig zijn ingericht verliezen voor de zwarte roodstaart hun aantrekkelijkheid.

De witte kwikstaart gebruikt de stedelijke omgeving op vergelijkbare wijze. Het is van oorsprong geen uitgesproken soort van gebergte en daardoor minder afhankelijk van gebouwen en steenachtige structuren dan de zwarte roodstaart. De witte kwikstaart nestelt in allerlei spleten, gaten en nissen, soms ook op platte daken of op de grond. Ze zoeken hun voedsel (kleine ongewervelden) veelal op open terrein, variërend van braaklandjes tot gazons. Dat maakt ook oude dorpen en open woonwijken geschikt, al moeten bebouwing en stedelijke activiteiten niet te overheersend zijn. De witte kwikstaart ontbreekt in gesloten wijken omdat daar onvoldoende geschikt voedsel voor hem te vinden is.

 

Holenduif

De holenduif is een vrij onopvallende soort die zich slechts in geringe aantallen en in een beperkt aantal wijktypen laat zien. Toch weet deze soort, die we vooral kennen als plattelandsvogel, zich in het stedelijk milieu te redden. Hij maakt dan relatief lange voedselvluchten naar geschikt voedselgebied, veelal het buitengebied. Duidelijk is dat de relatieve rust sommige bedrijventerreinen interessant maakt voor deze schuwe duif, mits er holen in bomen of gebouwen aanwezig zijn om in te nestelen. Ook voormalige boerderijen die nu als woning gebruikt worden, gebruikt hij als nestplaats, met name in Noord-Brabant. Hij vindt hier zijn voedsel, dat bestaat uit granen en zaden, op kruidenrijke braaklandjes.

 

Roek

Roeken nestelen in kolonies in groepen hoge bomen. Zij zoeken hun voedsel op weilanden en akkers in de wijde omgeving. In natuurlijke situaties vermijdt de roek gebergten en andere gebieden met een steenachtige bodem. Een derde deel van de populatie gebruikt in het broedseizoen de bebouwde kom om te nestelen in hoge bomen, zoals rijen populieren langs uitvalswegen. Veel bedrijventerreinen liggen aan de rand van de bebouwde kom, op de overgang naar het buitengebied. Dat maakt ze tot potentieel geschikte broedgebieden voor de roek als er ook voldoende hoge, oude bomen voorkomen. Dat is in de praktijk maar op een enkel bedrijventerrein het geval. Deze roekenkolonies kunnen flink groot zijn en halen zo het gemiddelde flink op. De feitelijke situatie is er dus één van plaatselijk aanwezige kolonies. Een tweede kanttekening is dat het Meetnet Urbane Soorten álle aanwezige vogels noteert. Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen territoriale broedvogels en foeragerende groepen.

naar boven


Stadspark

Openbaar groen inclusief sportparken, begraafplaatsen en volkstuinen

Stadsparken vormen de 'groene longen' van de steden en geven de bewoners lucht en ruimte. Ze zijn door de mens ontworpen en aangelegd om het slechte leefklimaat te verbeteren. De meeste stadsparken zijn volledig door bebouwing ingesloten, sommige liggen op de overgang van de bebouwde kom naar het buitengebied. Bouwwerken in stadsparken zijn schaars en beperken zich doorgaans tot bijvoorbeeld een boerderij, een paviljoen, een onderhoudsgebouw of een culturele voorziening. Door de eeuwen heen legde men parken aan in verschillende stijlen. Van sterk geometrisch tot romantisch slingerend. Vandaag de dag is er volop aandacht voor de waarde van parken voor flora en fauna, naast de recreatieve en culturele waarde. Omdat begraafplaatsen, sportparken en volkstuincomplexen een vergelijkbare waarde voor vogels hebben, beschouwen we deze hier ook als stadspark. Alle stadsparken tezamen hebben een grote soortenrijkdom. Veel soorten halen hier hun hoogste aantallen en de variatie aan vogelsoorten is groot. Er leven soorten die in andere wijktypen ontbreken. Parken die grenzen aan het buitengebied zijn soortenrijker dan parken die door bebouwing zijn ingesloten.

 


 

Laag Nederland

In het algemeen zien we het volgende patroon: de wijktypen in Laag Nederland zijn rijker aan vogelsoorten, maar de soorten komen er in relatief lagere aantallen voor. Bij wijktypen in Hoog Nederland is het andersom: er zijn relatief minder soorten, maar meer individuen per soort. De stadsparken vormen hierop een uitzondering. In Laag Nederland zijn de stadsparken gemiddeld zowel het rijkst aan soorten als aan individuen per soort.

Stadsparken vormen de biotoop bij uitstek voor de typische park- & tuinvogels en boomvogels. De meest algemene soort is de merel, gevolgd door de houtduif. Roodborst, zanglijster en zwartkop zijn hier soorten die duidelijk het verschil maken met andere wijktypen. In bescheiden aantallen komen hier ook andere soorten van deze gildes voor die in andere wijktypen in Laag Nederland veelal ontbreken zoals gaai, staartmees, grote bonte specht en boomklever. De laatste haalt een bescheiden dichtheid en komt buiten parken eigenlijk niet voor in het stedelijk gebied in Laag Nederland.

Waterpartijen bieden leefgebied aan de door mensen ingevoerde nijlgans, soepeend en soepgans. De oeverbegroeiing in sommige parken is plaatselijk het leefgebied van lage aantallen water- & moerasvogels als kleine karekiet en waterhoen. De hoge bomen in enkele parken herbergen een blauwe reigerkolonie. Deze vogels zoeken voedsel langs het stedelijk water en in het buitengebied.


 

Hoog Nederland

In Hoog Nederland vormen stadsparken het meest vogelrijke wijktype. De houtduif staat als meest algemene soort bovenaan, gevolgd door de merel. Wat in dit beeld niet direct naar voren komt, is dat maar liefst 17 soorten hier hun hoogste aantallen halen binnen het stedelijk gebied. Dat geldt voor park- & tuinvogels als zanglijster en roodborst en voor boomvogels als zwartkop en tjiftjaf. Van sommige soorten, bijvoorbeeld de grote bonte specht, zijn de gemiddelde aantallen in de stadsparken van Hoog Nederland zelfs tweemaal hoger dan in elk ander wijktype. Verder komen hier bijna alle soorten boomvogels, struikvogels en park- & tuinvogels voor. Lokaal zijn zelfs grote lijster en tuinfluiter present, soorten die in andere wijktypen ontbreken.

Huizenbroeders als gierzwaluw en huismus hebben in stadsparken niet veel te zoeken, maar dit wijktype kan wel betekenis hebben als foerageergebied. Voor kauw en spreeuw ligt het weer net iets anders. Deze vogels broeden niet alleen in huizen maar maken ook veelvuldig gebruik van natuurlijke holten en nestkasten. De stadsparken van Hoog Nederland herbergen relatief minder soorten water- & moerasvogels dan die van Laag Nederland. De water- & moerasvogels die er zijn, komen voor in kleine aantallen. Lokaal zijn er blauwe reigerkolonies in stadsparken van Hoog Nederland.

 

Beschermingskansen

De meeste parken zijn in bezit van de gemeente. Inrichting en beheer bepalen in grote mate welke natuurwaarden zich ontwikkelen en wat dit vogels te bieden heeft. Een goed beheerplan gaat uit van de lange termijn. Streef voor het groen variatie na, zowel in soorten, leeftijd als hoogte. Maak zo veel mogelijk gebruik van inheemse soorten en ga uit van het eigen floradistrict. Realiseer waar mogelijk een complete mantelzoomvegetatie. Deze bestaat uit bomen met een mantel van struiken en een zoom van inheemse planten. Zorg voor voldoende schaalgrootte. Grote, aaneengesloten groengebieden huisvesten meer verschillende soorten dan kleine, geïsoleerde gebieden. Aansluiting op bestaande groenstructuren is voor vogels zelf niet essentieel maar wel voor zoogdieren en andere levensvormen die aan de basis staan van de voedselketen. Takkenrillen, natuurvriendelijke oevers, bloemrijke hooilandjes, kruidige veldjes: als daar mogelijkheden voor zijn, vergroten zij de variatie.

Stadsparken bieden ook een uitgelezen kans voor natuureducatie en -beleving. Recreatief gebruik van het park kan in ruimte en tijd gezoneerd worden om de essentiële rust voor vogels niet te laten conflicteren met recreatiedruk. Bijvoorbeeld door bepaalde delen niet toegankelijk te maken voor honden en mensen, of door festivals alleen toe te staan buiten de broedtijd.

 

Kenmerkende vogelsoorten

 

Grote bonte specht, boomklever en boomkruiper

In het stedelijk gebied van Nederland neemt een groep vogels getypeerd als algemene bosvogels sterk toe. In de jaren zestig en zeventig is veel recreatiegroen aangeplant rond steden. Door een meer natuurlijk beheer, het toenemend gebruik van inheemse loofbomen én door het ouder worden van deze bomen, zijn dit soort recreatiegebieden steeds aantrekkelijker geworden voor deze groep. De vogels gebruikten deze terreinen als springplank om steden te koloniseren.

Grote bonte specht, boomklever en boomkruiper zoeken hun voedsel langs stammen van bomen en zij nestelen in boomholten. De boomklever maakt veelvuldig gebruik van nestkastjes. De boomkruiper heeft in het stedelijk gebied een brede nestplaatskeuze; hij nestelt bijvoorbeeld ook in muurspleten. Het voorkomen van deze drie soorten heeft een opvallend gelijk patroon. Daarbij is de aanwezigheid van grote bomen van doorslaggevende betekenis. De aantallen zijn overal laag, maar er is een voorkeur voor open wijken. De drie soorten zijn het meest algemeen in parken. De boomkruiper, die ook gebruikmaakt van gevels voor voedsel, komt meer gelijkmatig over de stad verdeeld voor dan de andere twee soorten.

 

Gaai en staartmees

Een vergelijkbaar patroon laten gaai en staartmees zien. De staartmees is eigenlijk in geen enkel biotoop algemeen, ook niet in het stedelijk gebied. In lage aantallen komt de soort in het stedelijk gebied voor, zonder uitgesproken voorkeur voor een bepaald wijktype. Hij nestelt vroeg in het jaar, maar de nestverliezen zijn zeer groot. De belangrijkste predator van eieren en jongen van staartmezen is de gaai. De gaai komt in Hoog Nederland in alle wijktypen voor in tamelijk constante lage aantallen. In Laag Nederland haalt de soort de hoogste aantallen in stadsparken. Er is een sterke binding tussen de gaai en eiken; eikels vormen zijn belangrijkste voedsel. Ook in andere loofbossen – en in naaldbossen – komt hij algemeen voor. Als er voldoende ondergroei aanwezig is, komt de gaai ook voor in plantsoenen en tuinen.

 

Blauwe reiger en aalscholver

De blauwe reiger nestelt in kolonies in hoge bomen en zoekt voedsel in de wijde omgeving van zijn nestplaats. In stedelijk gebied ontpoppen ze zich als echte opportunisten en schuimen na sluitingstijd markten af op etensresten. Sommige stadsparken herbergen een kolonie die soms flink groot kan zijn en er decennialang blijft. Op dergelijke locaties is de soort er beeldbepalend. De aalscholver nestelt evenals de blauwe reiger in hoge bomen. Deze soort broedt zelden binnen de bebouwde kom, maar zoekt er wel naar voedsel.

 

Nijlgans

De nijlgans is een exotische nieuwkomer in de Nederlandse avifauna. Vanuit ontsnapte vogels uit waterwildcollecties is de laatste decennia een behoorlijke populatie ontstaan. Sinds het eerste broedgeval in 1967 bleven – zoals bij veel exoten – de aantallen aanvankelijk laag. Daarna groeide de populatie snel. De vogels gedijen zowel op het platteland als meer recent ook in de stad. In Laag Nederland laat de nijlgans zich inmiddels in bijna alle wijktypen zien. De grootste aantallen zijn vastgesteld in stadsparken. In het stedelijk gebied van Hoog Nederland is hij minder wijdverspreid. Veel meer dan andere eendachtigen, zoekt de nijlgans zijn voedsel op het land. Toch is hij wel een aan water gebonden soort.

 

Waterhoen

In zijn grote verspreidingsgebied is het waterhoen een tamelijk verborgen levende moerasvogel. In West-Europa leeft hij succesvol langs de oevers van stedelijke wateren. In Nederland komt het waterhoen bijna overal voor waar water is, maar de aantallen worden in het broedseizoen nergens heel hoog. Veel meer dan de verwante en meer algemeen voorkomende meerkoet is het schuwe waterhoen gesteld op enige rust. Oeverbegroeiing als schuil- en nestelplaats is een voorwaarde voor het voorkomen van de soort.

naar boven

Vogels en de wet

Nagenoeg alle vogelsoorten zijn beschermd. Het waarom, regelgeving, de rol van de provincies en de Omgevingswet worden hier uitgeplozen.

 

Uitleg volgt nog ....